Schrijfmotorische problemen
1. Wie stelt het vast en wat zie je dan?
Heel vaak wordt een schrijfprobleem bij een kind opgemerkt aan het schrift (het schrijfproduct) door de leerkracht of de ouders. Een kind schrijft slordig, lelijk en onleesbaar. Soms denkt men dat het kind geen moeite doet om mooi te schrijven, maar vaak is het zo dat een motorisch probleem er voor zorgt dat het kind niet mooi kan schrijven.
Onder
motorische problemen zien we de foutieve schrijfhouding en pengreep waardoor de uitvoering van de schrijfbeweging moeizaam of niet correct verloopt. Dit wil zeggen dat er bij het voorbereiden van de beweging iets fout gaat of dat de spieren de juiste informatie niet doorkrijgen. We zien fouten in nauwkeurigheid, lettergroottes, richting of lokalisatie in de ruimte.
Ook in de
perceptueel - motorische processen kan er iets mis gaan. Hierdoor weet het kind bijvoorbeeld niet hoe het bepaalde letters moet gaan vormen.
Op het
cognitieve verwerkingsniveau zien we de grammatica en spellingfouten.
Bij een schrijfmotorisch probleem zien we hoofdzakelijk kinderen met een echt motorisch probleem, soms zien we dit ook in combinatie met stoornissen in de perceptueel – motorische processen.
2. Hoe gaan we onderzoeken wie een motorisch probleem heeft?
We gebruiken hier als kinesitherapeut verschillende meetinstrumenten voor. Welke we precies gaan gebruiken is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Voor kleuters gebruiken we een grafomotorische schrijftest. Voor kinderen van de lagere school gebruiken we de SOS (systematische opsporing van schrijfmotorische problemen) of de VSST (Vlaamse schrijfsnelheid test).
• De grafomotorische test gaat na welke de handvoorkeur van het kind is en hoe het beide handen gaat gebruiken bij eenvoudige taken met potlood en papier (lussen, streepjes, kruisjes, boogjes, …) . Hiervoor is geen kennis van taal en letters vereist. Als therapeut kijken we natuurlijk niet alleen naar wat het kind op het papier zet en hoe snel het dat doet, maar voornamelijk ook naar hoe het kind dat doet. We letten hierbij vooral op de houding en de pengreep.
• De SOS is de herwerkte test van de BHK (beknopte beoordelingsmethode voor kinderhandschriften. Hierbij wordt de schrijfsnelheid en de kwaliteit van het handschrift beoordeeld met een test die slechts vijf minuten duurt. Beiden worden met scores weergegeven. Voor de therapeut is er ook een lijst voorzien met allerhande observaties aangaande de schrijfhouding en pengreep van het kind.
• De VSST scoort enkel de schrijfsnelheid. Om de kwaliteit van het schrift en het motorisch kunnen van het kind te beoordelen is de therapeut aangewezen op zijn eigen kennis.
3. Bij wie is schrijfmotorische therapie noodzakelijk?
Eenmaal het onderzoek is afgerond, hebben we een idee over het kunnen van het kind. We weten iets over de snelheid van het schrijven, we hebben heel wat informatie over het schrijfproduct en onze observaties zijn natuurlijk ook van uiterst groot belang. Maar wanneer is therapie nu echt nodig?
• Wanneer een kind te traag schrijft ten opzichte van leeftijdsgenootjes en dit een probleem vormt in het schools gebeuren. Het kind raakt achterop bij schrijfopdrachten, haast zich en gaat daardoor nog inboeten aan nauwkeurigheid.
• Wanneer het kind een te groot schrift heeft of een onregelmatige lettergrootte.
• Wanneer het kind een slordig schrift of slordige grafomotorische tekens heeft als gevolg van onnauwkeurige bewegingen
• Wanneer de pengreep of de houding van het kind zo verstoord is dat het voor het kind problemen geeft bij het schrijven
Het is aan de therapeut die de test heeft afgenomen om de ouders te adviseren in hun beslissing om schrijfmotorische therapie al dan niet op te starten.
4. Wat doen we precies in die schrijfmotorische therapie?
We gaan samen met het kind werken aan de correcte schrijfhouding en pengreep. Vaak geeft dit al een positieve invloed op het schrift. Daarna gaan we oefenen op het verbeteren van het schrift zelf. We houden in ons achterhoofd dat hierbij altijd een goede houding en pengreep gehouden moeten worden. We proberen alle kinderen er op een speelse manier alert voor te maken.
Het is onze bedoeling om deze dingen in de therapie aan te leren. Maar de kinderen moeten ze op andere momenten (thuis en school) ook gaan toepassen om echte resultaten te krijgen.